top of page

Wanneer trauma het stuur overneemt

Over veiligheid, gedrag en de gedeelde rode draad tussen trauma- en hechtingskaders


Wie werkt met mensen met een trauma-geschiedenis, herkent het snel: wat logisch lijkt, werkt niet altijd. Wat inhoudelijk klopt, landt niet vanzelf. En goedbedoelde interventies kunnen onverwacht leiden tot weerstand, escalatie of terugtrekking.


Niet omdat mensen niet willen veranderen, niet omdat ze geen inzicht hebben, maar omdat trauma de volgorde verandert. In plaats van denken → voelen → handelen, zien we vaak het omgekeerde: reageren vóór begrijpen. Gedrag ontstaat dan niet vanuit bewuste overwegingen, maar vanuit de nood om veiligheid, nabijheid, troost of voorspelbaarheid te herstellen.


Dat inzicht staat vandaag centraal binnen de psychotraumatologie. Opvallend is hoe verschillende theoretische kaders - elk met hun eigen taal en accenten - uiteindelijk dezelfde beweging beschrijven.



Gedrag verklaren: verschillende vertrekpunten


Binnen de psychologie bestaan uiteenlopende verklaringsmodellen voor menselijk gedrag. Historisch vertrokken heel wat stromingen vanuit cognities: gedachten en overtuigingen die emoties en gedrag sturen. Binnen de klassieke cognitieve therapie en vroege vormen van cognitieve gedragstherapie lag de therapeutische hefboom dan ook bij het herkennen en bijsturen van disfunctionele denkpatronen. Die benadering heeft veel betekend - en betekent dat voor veel mensen nog steeds - zeker wanneer reflectie, taal en zelfobservatie voldoende beschikbaar zijn.


Tegelijk leert werken met mensen met (complex) trauma ons iets fundamenteels over de grenzen van die volgorde. Onder omstandigheden van dreiging of overweldiging ontstaan reacties vaak vóór er sprake is van bewuste gedachten. Gedrag blijkt dan minder het gevolg van wat iemand denkt, en meer van wat iemand op dat moment nodig heeft om zich veilig te voelen in relatie tot zichzelf en anderen.


Binnen de psychotraumatologie is dat inzicht intussen breed gedragen. Zowel neurobiologisch onderzoek als klinische ervaring tonen aan dat regulatie een voorwaarde is voor reflectie, en dat betekenisgeving vaak pas mogelijk wordt wanneer het zenuwstelsel voldoende tot rust is gekomen. Moderne ontwikkelingen binnen de cognitieve gedragstherapie - waaronder meer lichaamsgerichte, contextuele en trauma-geïnformeerde varianten - sluiten daar ook steeds meer bij aan, door expliciet aandacht te besteden aan emotieregulatie, veiligheid en het tempo van verandering.


Vanuit hechtings- en adaptatiekaders wordt gedrag dan ook in de eerste plaats begrepen als niet het resultaat van bewuste keuzes, maar als een functionele reactie binnen een relationele en ontwikkelingscontext.


Niet de vraag “wat denkt iemand?” staat centraal, maar “wat staat hier op het spel?”

Trauma en de vraag naar veiligheid


Wanneer trauma een rol speelt, verandert de manier waarop informatie wordt verwerkt. Het zenuwstelsel scant voortdurend de omgeving op signalen van veiligheid of dreiging, vaak zonder dat iemand zich daarvan bewust is. Bij aanhoudende of herhaalde dreiging verschuift de focus van betekenisgeving naar overleving. Dat proces verloopt grotendeels buiten het bewuste denken.


Binnen de interpersoonlijke neurobiologie benadrukt Dan Siegel dat integratie (tussen gevoel, lichaam, denken en relatie) alleen mogelijk is wanneer er voldoende regulatie is. Bij overspoeling of chronische stress raakt die integratie verstoord. Gedrag kan dan impulsief, vermijdend of controlerend worden, niet uit onwil, maar omdat het systeem zich in een staat bevindt waarin veiligheid primeert. Reflectie zonder regulatie blijft in die context vaak oppervlakkig of defensief.


De polyvagaaltheorie van Stephen Porges beschrijft hoe het autonome zenuwstelsel voortdurend de vraag stelt: is dit veilig of niet? Dat proces van neuroceptie stuurt gedrag, emotie en relationele beschikbaarheid. In een toestand van ervaren dreiging schakelt het systeem automatisch over naar defensieve strategieën. Sociale afstemming, flexibiliteit en reflectie komen dan op de achtergrond te staan.


Ook het werk van Bessel van der Kolk onderstreept dat trauma zich niet alleen manifesteert als een verhaal, maar ook, en vaak vooral, als een lichamelijke en emotionele toestand. Mensen kunnen heftig reageren zonder precies te kunnen benoemen waarom. Cognitief inzicht helpt dan soms om te begrijpen wat er gebeurt, maar raakt zelden aan waar de reactie zich vastgezet heeft. Dat verklaart waarom interventies die het lichaam, ritme en regulatie betrekken zo’n centrale plaats hebben gekregen binnen de hedendaagse psychotraumatologie.


Hoewel deze auteurs verschillende invalshoeken hanteren, beschrijven zij in essentie dezelfde dynamiek: wanneer veiligheid onder druk staat, organiseert gedrag zich rond overleven. Cognitie volgt vaak pas nadien, als poging om betekenis te geven aan wat al in gang gezet is.


Van trauma-inzichten naar hechtingsstrategieën


Vanuit dit trauma-perspectief wordt ook duidelijk waarom sommige gedragspatronen zo hardnekkig kunnen zijn. Niet omdat mensen zich niet aanpassen, maar omdat zij zich ooit juist té goed hebben aangepast aan omstandigheden die overweldigend, onveilig of onvoorspelbaar waren.


Het Dynamisch Maturatie Model (DMM) van Patricia Crittenden sluit precies op dat punt aan. Het model vertrekt vanuit hechting als een levenslange adaptieve strategie om met gevaar, dreiging en verlies om te gaan. Hechtingsgedrag wordt niet gezien als een vaststaand kenmerk, maar als een dynamisch antwoord op ervaringen van veiligheid of onveiligheid binnen relaties.


Centraal in het DMM staat de manier waarop mensen informatie verwerken onder stress. Afhankelijk van eerdere ervaringen kunnen bepaalde signalen worden geminimaliseerd, uitvergroot of losgekoppeld. Wat voor de buitenwereld tegenstrijdig of onbegrijpelijk lijkt, is vanuit het perspectief van overleving vaak volstrekt logisch.


Vanuit dit kader wordt ook een observatie begrijpelijk die in de praktijk vaak terugkomt: hoe zorgwekkender of gevaarscheppender hechtingsstrategieën worden, hoe groter de kans dat trauma of onverwerkt verlies een rol speelt. Dat betekent niet dat elke onveilige hechtingsstrategie automatisch wijst op trauma. Het DMM blijft hierin genuanceerd. Wel laat het zien dat langdurige dreiging, herhaald verlies of chronische onvoorspelbaarheid een duidelijke impact hebben op hoe mensen nabijheid, afhankelijkheid en zelfbescherming organiseren.


Trauma beïnvloedt niet alleen wat iemand meemaakt, maar ook hoe ervaringen worden opgeslagen en gebruikt. In die zin vormt trauma geen aparte categorie naast hechting, maar grijpt het diep in op de ontwikkeling en organisatie van hechtingsstrategieën.


Hechting en psychotraumatologie: een logische verbinding


Binnen opleidingen psychotraumatologie wordt vaak gezocht naar manieren om neurobiologische inzichten, klinische observaties en relationele dynamiek met elkaar te verbinden. Het DMM biedt hier een aanvullend perspectief, doordat het trauma-inzichten koppelt aan een ontwikkelings- en hechtingslogica.


Het helpt professionals om:

  • gedrag te lezen als adaptief, ook wanneer het destructief oogt

  • te begrijpen waarom regulatie soms niet volstaat om patronen te doorbreken

  • verlies en dreiging te herkennen als structurerende factoren in relatiegedrag

  • realistische verwachtingen te ontwikkelen over tempo en haalbaarheid van verandering


Vanuit die logica is het dan ook geen toeval dat hechting en het DMM een duidelijke plaats krijgen binnen de permanente vorming Psychotraumatologie, een samenwerking tussen de Vrije Universiteit Brussel en het Belgisch Instituut voor Psychotraumatologie. Niet als "het" verklaringsmodel, maar als een lens die helpt om complex gedrag te situeren binnen een bredere context van veiligheid, verlies en adaptatie.


Geen strijd tussen kaders


Trauma- en hechtingskaders nodigen uit tot een praktijk die trager durft te zijn, preciezer kijkt en minder snel concludeert. Niet uit voorzichtigheid, maar uit respect voor de complexiteit van menselijk functioneren.


Misschien hoeven we minder te zoeken naar "het juiste model", en meer te herkennen waar verschillende kaders dezelfde beweging maken. Trauma confronteert ons immers onvermijdelijk met de grenzen van denken, en precies daar wordt duidelijk hoe belangrijk veiligheid, afstemming en betekenis in de juiste volgorde zijn.


Opmerkingen


Ontvang nieuwe reflecties per mail

Af en toe deel ik reflecties en inhoudelijke duiding die vertrekken vanuit mijn werk als klinisch en forensisch psycholoog. Wanneer dat relevant is, informeer ik ook over opleidingen die hierop aansluiten.

  • Jouw alineatekst (18)_edited
  • Jouw alineatekst (20)_edited
  • Jouw alineatekst (21)_edited
  • Jouw alineatekst (22)_edited

Heb je vragen of zoek je professioneel houvast bij complex gedrag?

LENSis een professioneel redeneer- en afstemmingskader,
ontwikkeld vanuit klinische en forensische praktijk en verankerd in hechtingsgericht werken volgens het Dynamisch Maturatie Model (DMM)

.

Voor hulpverleners die werken waar spanning toeneemt, gedrag escaleert of eenvoudige antwoorden tekortschieten.

​​​

Emmy Goossens - Klinisch & forensisch psycholoog

Inschrijvingsnummer Psychologencommissie: 832111969

BTW BE1016.939.981

© 2026 Emmy Goossens - Alle rechten voorbehouden

Deze website en het aanbod richten zich uitsluitend tot professionals en hebben geen therapeutisch of diagnostisch doel.

Privacybeleid Voorwaarden Herroepingsrecht

bottom of page