Je weet het wel, maar in het gesprek zelf lukt het niet
- Emmy Goossens
- 4 dagen geleden
- 6 minuten om te lezen
Over het vastlopen als psycholoog in gesprek, en de kloof tussen theorie en praktijk
Je hebt de boeken gelezen. De cursussen gevolgd. Je weet wat een werkrelatie is, wat gesprekstechnieken zijn. Misschien verdiepte je je in het oplossingsgericht werken, of in het hechtingsgebaseerd werken. Je hebt heel wat kennis, theorieën, modellen verzameld waarmee je in zekere mate kunt begrijpen waarom mensen doen wat ze doen.
En toch.
Zit je in een gesprek, en ben je het kwijt.
Je stelt een vraag die niet landt. Je voelt dat je aan het ronddraaien bent. Of je doet iets - je geeft advies, stelt een oplossing voor, vult iets in - en denkt achteraf: dat had ik beter niet, of anders, gedaan.
Die kloof tussen weten en doen is reëler dan veel psychologen durven toegeven. En hij heeft niets te maken met hoe goed je je hebt voorbereid.
Ik ken hem zelf ook. Ik heb me als psycholoog regelmatig gevoeld alsof ik maar wat deed. En eerlijk gezegd: soms nog. Maar wat er veranderd is, is hoe ik daarmee omga. Daarover later meer.
Waarom die kloof bestaat - en wat er achter zit
Een gesprek voer je niet vanuit je hoofd alleen. Je voert het met je hele systeem: je gedachten, je spanning, je lijf, de spanning van je cliënt, de stiltes, het onverwachte dat zomaar op tafel komt.
In een rustige context, achteraf, met afstand, dan zie je het vaker helder. Je ziet sneller wat je misschien anders had kunnen doen. Je ziet de keuzemomenten.
Maar in het gesprek zelf? Je wil helpen, je wil het goed doen, je wil de ander niet laten vallen. En dus doe je iets. Niet altijd omdat het de beste interventie was, maar omdat het op dat moment het enige voelde wat je kon doen.
Dat is geen falen. Dat is hoe mensen werken.
Wat er namelijk in een gesprek gebeurt, is dat jouw zenuwstelsel voortdurend informatie verwerkt, bewust én onbewust. Je leest de toon van de ander, de spanning in de ruimte, het tempo van het gesprek. En tegelijk probeer je te denken, te luisteren, te reageren.
Onder druk (en een gesprek met een cliënt is altijd een vorm van druk, hoe subtiel ook) schakelt ons systeem over op wat snel en vertrouwd aanvoelt. Dat zijn onze automatismen. Niet de interventies die we ons hebben aangeleerd, maar de reflexen die we al lang hebben: snel iets zeggen, een oplossing bieden, de spanning verlagen.
In de hechtingstheorie, en meer specifiek in het Dynamisch Maturatie Model van Patricia Crittenden, wordt dit beschreven als de manier waarop mensen onder stress terugvallen op vroeg aangeleerde strategieën. Niet omdat ze niet beter weten of slecht opgeleid, maar simpelweg omdat ons systeem onder druk kiest voor wat ooit werkte. Voor veiligheid. Voor controle.
Ook als hulpverlener betekent dat: je valt terug op jouw strategie. De neiging om te redden, te verklaren, te structureren, te vullen, of net te zwijgen. Wát er precies opduikt, verschilt per persoon, maar dat er iets opduikt, dat is universeel.
En dat is precies waarom meer kennis het probleem niet oplost. Kennis zit in je hoofd. Maar in het gesprek reageert je systeem.
Wat ik zelf heb geleerd
Ik heb geen pasklaar antwoord op alles. Dat heb ik nooit gehad, en ik verwacht het ook niet van anderen, noch van mezelf.
Maar ik heb wel iets anders geleerd: als ik me ongemakkelijk voel in een gesprek, ga ik na wat dat ongemak precies veroorzaakt. Is er iets in mezelf dat getriggerd wordt? Herken ik iets van mezelf in de situatie van de ander? Of pik ik iets op bij mijn cliënt - spanning, weerstand, verdriet - dat me raakt?
Dat onderscheid maakt een verschil. Want als het ongemak van mij komt, is het mijn professionele verantwoordelijkheid om dat te zelf te reguleren. Niet om het via de ander op te lossen. En als ik iets oppik bij de ander, is dat informatie. Iets om te benoemen, te spiegelen, mee te werken.
Daarnaast heb ik een rugzakje gevuld, opgebouwd. Met zinnen en vragen die ik kan bovenhalen als het spannend wordt. Niet als script. Maar als houvast. Dingen die ruimte brengen, tijd bieden, of gewoon benoemen wat er zich afspeelt.
Want dat is uiteindelijk wat ik zie als mijn taak: spiegelen. Modelleren. Terugkoppelen. Processen begeleiden. Niet alles weten, maar wel aanwezig blijven, ook als het moeilijk wordt.

Drie dingen die helpen om de kloof te dichten
Op basis van wat ik zelf heb geleerd, en wat ik zie bij psychologen in supervisie, kan ik je alvast drie dingen meegeven die het verschil maken.
1. Leer je eigen signalen kennen.
Haast, leegte, de neiging om snel iets te zeggen, het gevoel dat je moet presteren, stress die je voelt, dat zijn signalen. En vaak dus niet zozeer over je cliënt, maar over jou. Over wat er in jou wordt geraakt.
Als je die signalen leert herkennen - niet pas achteraf, maar in het moment - heb je een keuze. Dan kun je iets anders doen dan automatisch reageren.
In de praktijk betekent dat: begin te noteren welke situaties je activeren. Wanneer voel je je haastig? Wanneer voel je de neiging om te vullen? Wanneer geef je sneller advies dan eigenlijk nodig is? Die patronen zijn informatief. En ze veranderen als je ze begint te zien.
2. Vertragen is een interventie.
Vertragen is het niet hetzelfde als wachten. Of als niks doen. Vertragen betekent bewust een stap terug nemen voor je reageert.
Vertragen voelt in een gesprek soms als risico nemen. Want wat als er niks komt? Wat als de stilte te zwaar wordt?
Maar stilte is zelden zo lang als ze voor ons als professional aanvoelt. En wat na een bewuste stilte komt, is bijna altijd van betere kwaliteit dan wat vanuit reflex komt. Je reageert dan vaker op wat er werkelijk is in plaats van op wat je dácht dat er was. (In de podcast van mei vertel ik ook over hoe dit samenhangt met het verschil in verwerkingssnelheid tussen affectieve en rationele informatie.)
Concreet: oefen met het bewust uitstellen van je eerste reactie. Laat een stilte bestaan. Zeg: 'Geef me even.' Spreek een reflectie uit voor je een vraag stelt. Het toont meteen ook aan dat je belangrijk vindt wat er gebeurt in de ruimte. Kleine ingrepen, groot effect.
3. Je hebt geen perfecte techniek nodig. Je hebt een rugzak nodig.
Je kennis verruimen en ervaring opdoen zijn uiteraard heel waardevol. Maar grip op een gesprek krijg je niet door alles te weten. Je krijgt het juist door te weten wat je kunt zeggen als je het even niet weet. Klinkt misschien gek, maar is het niet.
Concrete zinnen. Vragen die ruimte geven. Formuleringen die benoemen wat er speelt zonder het gesprek dicht te gooien.
Niet als pasklaar recept; gesprekken zijn nooit identiek. Maar als houvast. Als iets wat je uit je figuurlijke rugzak kunt pakken als je even de kluts kwijt bent. Waar je op terug kan vallen.
Een voorbeeld van zo'n zin die je kunt gebruiken als je merkt dat een gesprek blijft ronddraaien: 'Ik merk dat we hier al een tijdje mee bezig zijn. Wat voelt voor jou op dit moment het meest belangrijk om nog te bespreken?'
Dat is geen grote techniek. Het is gewoon een zin die het gesprek teruggeeft aan de ander, die ervoor zorgt dat jij niet zomaar gaan invullen voor je cliënt, die wat structuur en focus brengt, en jou tegelijk even ruimte geeft.
Tot slot
De kloof tussen weten en doen verdwijnt niet volledig. En dat hoeft ook niet.
Wat wel verandert, is hoe je ermee omgaat. Je leert je signalen herkennen. Je leert vertragen. Je vult een rugzak.
En beetje bij beetje wordt de kloof kleiner. Niet omdat je alles weet, maar omdat je leert helder te blijven kijken, ook als het moeilijk wordt.
Wil je concreet aan de slag met dat laatste? In de toolkit 'Grip op je gesprek' verzamelde ik een heleboel zinnen en interventies die ik zelf gebruik en meegeef in supervisie. Zo heb je meteen een houvast voor de momenten waarop je in het gesprek zelf vastloopt.
Je leest er hier meer over of je schaft hem hieronder gewoon meteen aan:
En voor wie liever luistert: in de podcastaflevering van mei ga ik op hetzelfde thema in, met concrete voorbeelden.
*** Je vindt de podcast 'Grip op je praktijk' op Spotify & Apple Podcasts of via training.emmygoossens.be/podcast. Nieuwe afleveringen elke eerste dinsdag van de maand. ***




Opmerkingen